Verslag fietsreis IJsland
ZOMER 2009

we gaan weer / voorbereiding / voor vertrek / aankomst / de grote stad en de crisis / de route in wegnummers /
onderweg met Bonny: tussen Þingvellir en Laugarbakki / de Strandavegur / weg 622 / voorbij Ísafjörður / in Reykjavík / een nieuwe route

pagina 8 van 12
ga naar: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12.

de Strandavegur
Het stuk Laugarbakki – Hólmavík zou ik graag overslaan. Het is een saai gedeelte met ook nog eens een paar stevige klimmetjes. De timing wat betreft het camping verblijf in Hólmavík was wederom verkeerd. We kwamen aan op de vrijdag van een weekend waarin net een grote familiereünie gepland stond. Aan de drukte en het lawaai viel niet te ontkomen. Het was dus zaak die zaterdag gelijk verder te trekken.


Hlmavk, toch zeker het grootste gedeelte  Welkom in Drangsnes  lekker 'í heita pottinum!'  in de blote kont voor de kerk

Toen we de afslag naar de Strandavegur genomen hadden dacht ik het ergste leed geleden te hebben. Het landschap verbeterde zienderogen en we zouden de weg voor ons zelf hebben. Die hoop werd ons wreed ontnomen. De hele camping moet zijn leeg gestroomd. In colonne werden we voorbijgereden. Auto na auto passeerde. Mijn humeur werd er bepaald niet beter op. Ook niet omdat veel van deze autocoureurs niet eens de moeite namen gas te minderen bij de vogelkolonies. Misschien dat er bonuspunten te verdienen zijn door zoveel mogelijk Noordse sterns te raken, anders weet ik het ook niet. Raar volk, die IJslanders.
   In Drangsnes kwamen we de hele meute weer tegen. Toch waren er niet veel die de moeite namen gebruik te maken van de hot-tubs aan zee. Wij wel. En daar stonden we dan in onze blote kont voor de kerk om ons om te kleden. Kleedruimte is er niet; een auto was op zich wel handig geweest. De laatste kilometers voor het dorpje hadden we de wind stevig tegen gehad. Gezeten in het warme water konden we zien dat deze ondertussen niet afnam. Integendeel. Toen we verder wilden gaan, bleek dat er met deze wind niet meer te fietsen viel. Uiteindelijk kwamen we terecht bij café Malarkaffi waar we voortreffelijk aten voor een redelijke prijs. Beter hebben we deze reis nergens anders buiten de deur gegeten. Hier in de buurt was het eten bij hotel Laugarhóll ook goed, maar het kon niet tippen aan dat van Malarkaffi. Daarbij was het bij Laugarhóll ook nog eens schreeuwend duur. Als ik een auto had wist ik het wel.
   Lopend naast de fiets zochten we de camping van Drangsnes. Rechts naast de weg waren wat dammen opgeworpen waar je vrij beschut kon staan. Een van de al aanwezige gasten kwam op me toe lopen toen ik een geschikt plaatsje zocht. Het bleek dat ook hier een familiereünie plaats zou vinden en dat het rap drukker zou worden. “Het kon weleens luidruchtig worden.” Vertel mij wat. Maar aan de andere kant van de weg zou ook een goede plek zijn. Ver weg van de paar gasten hier vonden we een goede plek. Het is echter of de duvel er mee speelt. Een heel veld vrij maar de volgende gasten moesten pal naast ons komen staan. Is op zich niet erg. De vrouw van dit (IJslandse) stel echter hield werkelijk geen tel haar waffel. Ik denk dat zelfs de rust was weergekeerd aan de overzijde van de weg toen zij nog rustig door kwetterde. Haar man zei nagenoeg geen woord. Af en toe 'hmm' en dat was het dan. Het deed me denken aan de serie “Schone Schijn”.
   Het stond vast dat we morgen zouden gaan wildkamperen. Het zou gedaan zijn met de nachtelijke herrie als we weer konden gaan fietsen. De wind moest toch een keer gaan liggen. Zelfs 's nachts nam hij niet af en toen we de volgende dag in het echte zwembad lagen, waren we bang dat we hier voorlopig vast zaten. Ondertussen scheen het zonnetje voluit. De badmeester en zijn internettoegang, voor het raadplegen van diverse weersites, brachten ook weinig hoop, en de behulpzame 'locals' bij café Malarkaffi, waar we opnieuw konden eten – alle nadeel heeft zo z'n voordeel – wisten ons zelfs te vertellen dat het hier altijd zo hard waaide. Bij noorden wind was het dan wel een stuk warmer dan bij deze noordoostenwind, maar de kracht bleef hetzelfde. Hij is fijn.


rotsen Drangsnes  rotsen Drangsnes  rotsen Drangsnes  naast de tent

Tijdens eerdere fietstochten op IJsland bleek de theorie dat de wind 's avonds afnam aardig tot goed te kloppen. Hier was het andere koek. Laat die avond pakten we de tent in. Het had geen zin langer te wachten en we konden altijd hopen dat de wind tijdens het fietsen nog zou afnemen. We legden de memorabele afstand van 8,5 kilometer af! Daaraan was niet alleen de wind schuld. We hadden een onbewolkte zonsondergang en het licht op de mooie rotspartijen was geweldig. En je bent hier tenslotte om te fotograferen, niet dan? Nadat we de kop van de fjord waren gepasseerd, fietsten we grotendeels uit de wind. Op het strand vonden we een beschut plekje voor de tent. Na nog wat foto's te hebben gemaakt konden we eindelijk weer eens rustig slapen.
   De komende dagen zouden ons brengen langs talrijke historische plaatsen uit de saga van Grettir de Sterke, met name het eerste deel 'Grettirs voorvaderen'. Ik was vooral benieuwd naar de 'koude berg', Kaldbakur, uit het gedicht van Onund Paalvoet:

De krijgers levenskoers wordt nu
door de grillige stroom bepaald.
Zijn land en vermogen zijn weggedreven,
terwijl het schip rondzwalkt op de oceaan.
Nu ben ik mijn landerijen kwijt,
mijn vrienden en familie heb ik achtergelaten.

Mijn akkers heb ik moeten verkwanselen
in ruil voor het ijzige Kaldbak.”

Zover was het nog niet. Het weer was de volgende dag buitengewoon goed. Rustig fietsten we langs het kerkje van Kaldranes dat in de steigers stond. Iets voorbij Laugarhóll bezochten we de Goðafoss. Het zonnetje brandde, en het was windstil. Naast deze mooie kloof groeiden talrijke orchideeën. Het kon niet op. Vol goede moed stapten we weer op de fiets om eens flink wat kilometers te gaan maken. Het schoot met de Strandavegur namelijk niet op. Naarmate we de fjord uit fietsten nam de wind toe. We kwamen in een zelfde situatie terecht als op weg naar Drangsnes en wat wind betreft vreesden we terecht het ergste. Links naast ons rezen steile hellingen op. De wind kwam ongehinderd van zee. Een blik op de kaart leerde dat er tot Kaldbaksvík niet viel te ontkomen aan onze tegenspeler. Volgens mij ontstaat er langs de koppen van deze fjorden een windeffect dat ook optreedt bij grote gebouwen en hoge flats: plaatselijk zeer sterke winden. Wij kropen in elk geval over de weg en waren niet verbaasd dat we opnieuw een indrukwekkende aantal kilometers hadden afgelegd: namelijk 32. Dat schoot lekker op.

Kaldbaksvk  op heilige grond: Kaldbaksvík  op heilige grond: Kaldbaksvík  op heilige grond: Kaldbaksvk

Inmiddels bevonden we ons wel op de heilige sagagrond van Kaldbaksvík. Ik kan die Onund wel begrijpen. Het is niet echt een uitnodigende plek om een grote boerderij op te zetten, nochtans had hij het beste plekje van al zijn kameraden. Dat konden we de volgende dag met eigen ogen vaststellen.
   Tussen Kaldbaksvík en Veiðileysa lag wederom zo'n fjordkop, en het was weer van hetzelfde laken een pak. Buffelen tegen de wind in en we hadden ook nog de mazzel dat het ging regenen. Wilden we ooit de Ófeigsfjörður halen dan was nu stoppen geen optie. Eenmaal in de Veiðileysa waren we verlost van de wind. Wel wachtte een flinke klim. Tijdens het ploeteren vergaten we niet te genieten. De sfeer en het landschap werkten goed samen en leverden een mooi beeld op. Het laatste stuk van de klim werden alle registers open getrokken. De wind kreeg weer vrij spel, het werd koud en de regen plensde meedogenloos. De modder van de gravelweg zoog aan de banden, kleefde aan de ketting en schuurde bij het remmen langs de velgen. De tassen werden er ook niet schoner op.

Veiileysa  Veiileysa  Djpavk  Djúpavík  Djpavk

De afdaling naar Djúpavík bracht enige verlichting. Het animo om verder te fietsen was echter verdwenen. Was er in Djúpavík geen hotel? Jawel. Maar de herberg was vol (hoezo, hier kwam toch geen hond?). Geen nood, de eigenaresse was al lang iets aan het regelen voor ons, zonder dat we dat doorhadden. Ik had me al grotendeels verzoend met het onplezierige vooruitzicht in de regen de tent te moeten opzetten en te koken. Was allemaal niet nodig. Wij konden, als we wilden, tegen een schappelijk prijsje onderdak krijgen bij mensen thuis. Daar hoefden we niet lang over na te denken.
   Terwijl onze kamer in orde werd gebracht kwamen we in het gezellige hotel weer op temperatuur. We aten wat, en doodden de tijd met het doorbladeren van boeken en het lezen van wat tijdschriften. De regen kletterde vrolijk tegen de ramen en de wind loeide gezellig langs de daken. Hoeveel kilometer hebben we vandaag eigenlijk afgelegd? Met 25,3 kilometer mochten we niet klagen... Wat leek die Ófeigsfjörður ver weg. En in deze uithoek geen spoor van andere fietsers. Wisten die soms meer?

de oude haringfabriek in Djúpavík  de oude haringfabriek in Djpavk  Djpavk  Djpavk

Na dit weer kon het alleen beter worden. Dapper hesen we ons weer op de fiets. Doel van vandaag? Het zwembadje van Krossnes. En onderweg zouden we Gjögur met het daar voor liggende Rifsker passeren. Wie kent de legendarische 'slag om de walvis' niet die zich daar afspeelde?

Ik heb gehoord, dat zij nogal hard waren
de wapens gebruikt bij Rifsker:
De strijders gingen te keer,

slechts gewapend met repen walvisvlees.
De krijgers betaalden
met gelijke munt terug:
De vlegels smeten met klonten blubber.
Het was een knokpartij, geen veldslag.”

Een eindje verder ligt de baai van Trékyllisvík. Hoofdstuk 12 van de saga van Grettir de Sterke bevat de verklaring van deze naam en doet verslag van de strijd om de walvis.
   In de afdaling naar Árnes begon ineens mijn voorwiel raar te doen. Telkens raakten de remblokjes de velg. Het weer was er niet naar om dat uitgebreid te gaan onderzoeken en het leek ook niet al te erg. We zagen Norðurfjörður ondertussen liggen aan de andere zijde van de fjord. Een naderende hongerklop werd gestopt met een paar handjes muesli. Nog een laatste helling en we zouden in het plaatsje zijn. Daar vonden we proviand in het verrassend grote winkeltje en hamburgers in de cafetaria. Het ging best goed zo.

in Norurfjrur  net na het zwembad van Krossnes  in Norurfjrur  daar gaat mijn voorwiel

Nu was het tijd het wiel eens te inspecteren. Ik werd niet blij van de aanblik. De velg was aan het scheuren en de hard opgepompte band duwde het zwakke gedeelte naar buiten waardoor de rem aanliep. Het was duidelijk dat ik afscheid moest nemen van dit wiel; weer een origineel onderdeel versleten. Ik had er trouwens geen moment bij stil gestaan dat dit kon gebeuren. Wat kan er nou slijten aan een voorwiel? Inmiddels weet ik wel beter. Telkens als je remt verdwijnt er een stukje van je remblokje maar klaarblijkelijk ook van je velg, en op een gegeven moment is het op. Dan heb je een probleem. Hier, aan het eind van de beschaving, kon dat best weleens een groot probleem zijn. IJsland zou echter IJsland niet zijn als...
   We vroegen aan het meisje van de supermarkt of ze toevallig iemand met een oude fiets kende van wie wij het voorwiel konden overnemen. Ze dacht even na en begon al snel te bellen. Ondertussen was ook de eigenaresse van de zaak erbij gekomen en liet zich informeren wat het probleem was. Uit haar mond rolden toen de historische woorden: “But the plane will arrive tomorrow, you can order it in Reykjavík before closing time”. Ja natuurlijk, het vliegtuig!?! Dat we daar niet meteen aan hadden gedacht... Het was 16.30 en om 18.00 zouden de winkels sluiten in Reykjavík. Tijd genoeg volgens de IJslanders, wij hadden iets meer haast.
   Met behulp van de eigenaresse bestelden we een nieuw voorwiel. Het doorbellen van het creditcard nummer was voldoende om de betaling te regelen. Slechts een kleinigheidje viel nu nog te regelen. “Eh, het vliegveld, waar ligt dat eigenlijk?” Bleek in Gjögur te zijn en omdat zij zelf toch ook spullen kregen aangevoerd met het vliegtuig mocht Bonny de volgende dag wel meerijden met de auto, dat scheelde een flink stuk fietsen. Stonden wij daar even met open mond te kijken. Wij dachten toch echt een serieus probleem te hebben. Nog geen 24-uur na constatering stonden we in deze uithoek met een gloednieuw voorwiel in handen.
   Het fijne van IJslanders is dat ze in oplossingen denken. Dit in tegenstelling tot Nederlanders die overal problemen en beren zien. En mocht er geen probleem zijn, dan bedenken we er wel een. Of oplossingen voor niet bestaande problemen, in het verzinnen daarvan zijn we ook ware meesters.
   Restte ons niets anders dan een lekker bad te nemen te Krossnes. Temperatuur van het water? Zwaar oké. Het uitzicht? Fenomenaal.

haringfabriek in de Inglfsfjrur  haringfabriek in de Inglfsfjrur  haringfabriek in de Inglfsfjrur  haringfabriek in de Inglfsfjrur
Noordse stern  haringfabriek in de Inglfsfjrur  haringfabriek in de Inglfsfjrur  haringfabriek in de Inglfsfjrur

De verlaten haringfabriek in de Ingólfsfjörður was ons volgende doel. Stiekem was toch een beste klim om uit het voorliggende dal te komen. De afdaling sloeg echter alles. Die kwam aardig in de buurt van loodrecht. Dat werd weer stevig in de remmen knijpen. Toen begon het me ook te dagen waar het velgenprobleem vandaan kwam. Onze reizen kennen de volgende trend: steeds minder asfalt en steeds meer gravel wat als schuurpapier werkt op de velg tijdens het remmen; steeds meer bagage waardoor de remmen het ook steeds zwaarder te verduren kregen; en steeds meer heuvels en bergen waar de remmen het bij het afdalen nog eens extra voor de kiezen kregen. De voorliggende afdaling zou weer het een en ander aan aluminium kosten. De vraag was: hoe stond het met het achterwiel?
   Voorbij de oude haringfabriek, een waardig foto-object, zetten we de tent op. Morgen zouden we het eind van de weg bereiken in de Ófeigsfjörður. Wij waren niet de enigen die daar heen wilden. Diverse auto's die ons waren gepasseerd kropen nu vooruit op de weg aan de overzijde van de fjord. Deze weg staat te boek als een jeeptrack. En dat werd duidelijk toen de een na de andere normale auto moeizaam voortploegend zijn meerdere in het wegdek moest erkennen en terugkwam. Wat stond ons morgen te wachten?

voorbij de haringfabriek in de Inglfsfjrur  op weg naar de Ófeigsfjörður  camping feigsfjrur  Ófeigsfjörður

Eerst werden we verrast door een groepje fietsers. He, fietsers? Het moet niet gekker worden. Al gauw werd het groepje door mij gedoopt tot 'pussybikers'. Zogenaamde mountainbike fietsers zonder bagage. Niet echt hardcore dus. Ze gingen in elk geval dezelfde richting op als wij. Goed en wel op de fiets kwamen we langs de jongelui die gisteren hun tocht hadden moeten afbreken. In plaats van in de Ófeigsfjörður feest te vieren hadden ze dat nu gedaan aan het eind van deze fjord. Het zal er niet minder gezellig om zijn geweest.
   Het wegdek was slecht, maar voor een fiets niet echt een groot probleem. Er is altijd wel een smal spoortje om over heen te hobbelen. Het weer was sfeervol; nevel en dreigende regen. Eenmaal in de Ófeigsfjörður klaarde het iets op. Voorbij de camping (!?) en een paar huizen hield voor ons de weg op bij de rivierdoorsteek. Voor die laatste paar kilometer hadden we geen zin het water door te gaan. Ons doel was de waterval in de rivier zelf: de Húsárfoss. Ik vind hem best wel fotogeniek.

tot hier en niet verder  Hsrfoss  Hsrfoss

De terugweg verliep ook zonder problemen en een paar honderd meter bij de feestvierders vandaan zetten wij onze tent op. Ik sliep te goed om die nacht iets van het feestgedruis te merken. Het is een mooie manier om uit je dak te kunnen gaan zonder een ander daarmee lastig te vallen.
   Deze hardcore-bikers werden de dag erna een beetje pussybikers. De afgrond omlaag bij de fabriek moest ook worden beklommen. Deze keer kwam een familiereünie ons goed uit. We hadden besloten de fietsen een voor een naar boven te duwen. Dat leek ons de minst inspannende oplossing. Net waren we bezig met Bonny's fiets toen een auto afkomstig van het feestterrein naast ons stopte en de bijrijdster vroeg of zij onze bagage soms mee naar boven moesten nemen. Beren schijten in het bos en de paus is katholiek. Dat wilden wij maar al te graag. Ook zonder bagage was het een stevige wandeling.
   Boven werden de fietsen weer beladen. Na een paar honderd meter ontdekten we de weg die we bij een ander verloop van onze tocht over de Strandavegur misschien wel hadden genomen. De kaart van eerder genoemde website toont een route vanaf de plek waar wij nu stonden door het 'binnenland' naar het zuiden om ergens uit te komen bij hotel Laugarhóll. Echter, dit is de enige kaart die een mogelijke doorgaande route toont. Hoezeer het avontuur ook lonkte, wij besloten het deze keer uit de weg te gaan.
   De wind werd onze grootste vriend. In recordtempo werden we naar Hólmavík geblazen. Soms ging het angstaanjagend hard. En het bleef ontzettend oppassen voor plotselinge rukwinden van opzij. Voor je het weet verdwijnt je voorwiel in het opgehoopte losse grind op het midden van de weg en klap je op je muil.

Met de wind viel nog steeds niet te spotten. Stug bleven we volharden in de theorie van de afnemende wind in de avond, daarom vertrokken we pas na het avondeten. Via de Steingrímsfjarðarheiði en þorskafjarðarheiði zouden we naar het zuidelijke deel van de Westfjorden gaan. Het werd een onvergetelijke tocht. Met de wind in de rug, door de voor ons gunstige richting van het dal, was de klim over asfalt naar de noodhut relatief eenvoudig. Iets voorbij de noodhut, boven op de hoogvlakte gingen we linksaf. Het werd donkerder en het was al behoorlijk koud. Mocht je je ooit verlaten willen voelen dan is dit een goede plek. Een ruw, woest en open landschap valt je hier ten deel.
   De schemer werd nog een tikkeltje zwaarder. Zoals we wel vaker zeiden: “We gaan niet hard maar wel ver”. En zo was het. Gestaag gleden de kilometers voorbij. Een busje passeerde ons van achteren. Het verstoorde de flow. Daarna was het weer eenzaamheid troef. Plots figureerden we in een schilderij van Carel Willink. Een immense rode Amerikaanse bak kwam ons tegemoet. Je verwacht van alles op deze gravelweg maar geen glimmend chroom met staartvinnen. Tergend langzaam kwam hij vanuit de hoogte naderbij. Een lugubere IJslander zat achter het stuurwiel, een even lugubere jongeman, het zou zijn zoon kunnen zijn, lag onderuit gezakt op de achterbank. Gelukkig reden ze door... Misschien teveel Stephen King gelezen?
   De afdaling naar de þorskafjörður was er weer een uit de categorie 'bezopen'. Opperste concentratie werd gevraagd om deze afgrond veilig te nemen. De kou was er ondertussen ook niet minder op geworden. Bijna onderaan zetten we verkleumd de tent op en eenmaal in de slaapzak konden we opgelucht ademhalen. Zonder brokken hadden we weer een avontuur beleefd.

dit is 16%  ineens een tapijt bloemen  een bloemenzee  zomaar een waterval

De tocht naar Flókalundur die volgde bleek zeer inspannend. Elke dag was er wel een flinke beklimming. Het landschap vergoedde echter alles. Vervelend waren alleen de talloze auto-met vouwwagen-combinaties die vol gas langs stoven. En met talloos bedoel ik te veel. Door de crisis gedwongen brachten veel IJslanders hun vakantie door in eigen land; een onevenredig groot deel bleek daarvoor de Westfjorden te hebben uitgekozen. Dit jaar steeg het toerisme daar met 30%.
   Hoe inspannend de tocht tot dan toe was geweest bleek toen we ons weer eens konden wegen. Andere vakanties viel ik gemiddeld één kilo per week af. Nu was dat anderhalve kilo. Best veel.

Rest mij nog een paar woorden te wijden aan Latrabjarg en de Dynjanðisheiði voordat we aan de 622 beginnen.

hij staat er nog steeds  het steile stuk  de moswaterval  het steile stuk  Latrabjarg
terugweg Latrabjarg  tergweg Latrabjarg  papegaaiduiker Latrabjarg  papegaaiduiker Latrabjarg
papegaaiduikers Latrabjarg  papegaaiduiker Latrabjarg  papegaaiduiker Latrabjarg

De tocht van Patreksfjörður naar Latrabjarg en terug vond ik de zwaarste van de hele reis. Je blijft voor je gevoel aan het klimmen. Bij de papegaaiduikers was het ook drukker dan in 2000. Het blijft veruit de beste plek om ze van dichtbij te zien. Net als in 2000 slaagde ik er niet in een exemplaar met visjes in de bek te fotograferen. We waren nu een paar weken later in het seizoen dan destijds, maar nog steeds geen teken dat er jongen werden gevoerd. Ondanks dat kan ik wel terugkijken op een paar fraaie opnamen.
   Hier, bij de vuurtoren annex pizzeria (?!) doken plots wel verschillende andere fietsers op. De aankomst van bussen zou daar wat mee te maken kunnen hebben, want slechts één van fietsers heb ik daadwerkelijk zien fietsen.
   Tekenend vond ik ook de woorden van een met een busje rondtrekkende Duitser die we op de vrije camping ontmoetten. Dit in het kader van: 'En vroeger was toch alles beter'.
   “In 1987 had je per auto nog een dag nodig om van Patreksfjörður te Latrabjarg te geraken. Nu is de weg zo goed en druk geworden; het oude IJsland bestaat niet meer.” Aldus deze wat oudere Duitser, die desondanks al achttien keer terug is geweest. Ik kan slechts terugkijken tot 2000, en toch begrijp ik wat hij bedoelt. En dat is raar. Hoever in de tijd moet je teruggaan om een toerist te ontmoeten die zegt: “Het IJsland van dit jaar is beter dan dat van het vorige”?

supermarkt Patreksfjörður  onderweg naar de Dynjandi  onderweg naar de Dynjandi

Het laatste stuk naar Patreksfjörður begon de fiets moeilijk te schakelen. Ook leek het alsof er speling op de crank zat. Toen we bij de supermarkt wegreden op weg naar het zwembad werd duidelijk dat het gedeelte van de crank rechts van de fiets inderdaad los kwam. De goede maat inbussleutel om de bout weer vast te draaien had ik niet. Edoch, laten ze daarvan bij de supermarkt nog net één exemplaar hebben liggen! Ja, ik weet het. Het is en blijft IJsland. Het aandraaien was vervolgens geen probleem. Geruster werd ik er niet op. Bij tijd en wijle kraakte de crank bij iedere slag hoogst irritant en zonder aanwijsbare reden stopte dat vervolgens voor een hele periode. En dit was al de tweede keer dat ik de bouten moest aandraaien (zie Húsafell). Op mijn reizen had ik dit nog niet eerder meegemaakt.

Dynjandi  Dynjandi  Dynjandi
Dynjandi  Dynjandi  Dynjandi

Westfjordenbezoekers kennen ongetwijfeld de Dynjandi, de mooiste waterval van IJsland. De daarboven gelegen hoogvlakte is ook buitengewoon geschikt om een flinke tijd fotograferend door te brengen. Wij passeerden er met kou, mist en regen. Voor een fietsende fotograaf is het onmogelijk om onder zulke omstandigheden te werken. Hoe graag je ook zou willen. Je zou je een ziekte op de hals halen. Het niet kunnen fotograferen onder slechte weersomstandigheden ervaar ik echt als een nadeel ten opzichte van collega's die over een auto beschikken en dus wel kunnen werken.

Vlak na de waterval begon voor ons het derde speciale gedeelte van de reis. De tocht over de onbekende weg 622. (volgende pagina...)

we gaan weer / voorbereiding / voor vertrek / aankomst / de grote stad en de crisis / de route in wegnummers /
onderweg met Bonny: tussen Þingvellir en Laugarbakki / de Strandavegur / weg 622 / voorbij Ísafjörður / in Reykjavík / een nieuwe route

pagina 8 van 12
ga naar: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12.