OVER FIETSERS
Heb je er met een gepraat, dan weet je ook, met aan zekerheid grenzende
waarschijnlijkheid, wat de volgende negen gaan zeggen. “Tja, die
wind he, en dat wegdek, en door de mist en regen heb ik geen bal gezien.”
Ik had zo goed als aldoor zon, dus kijk ik ze maar eens niet begrijpend
aan, het zal wel met geluk te maken hebben.
En vervolgens: waar je vandaan komt, waar je heengaat? Hoe
lang je er al bent, hoeveel kilometer je al gefietst hebt? Naar gelang
de zomer gevorderd was antwoordde ik dan: “Ik ben er nog niet
lang maar blijf de hele zomer.” “Oh.” “Ik ben
er nu drie maanden en ga zo op huis aan.” “Oh.” “Ik
heb hier dit jaar nu zo’n drieduizend kilometer gefietst.”
“Oh.” “En met de reis van zeven jaar geleden erbij,
zo’n 6500km en nog heb ik lang niet alles van het land gezien.”
Altijd lachen als je hun gezichten dan ziet. Vooral de reactie
bij de fietsers die zichzelf graag als bikkel zien is grappig. Ik zie
er niet uit als een serieuze fietser dus komen de getallen ze kennelijk
nogal vreemd voor. Ook als ik vertel dat ik “slechts” zo’n
50km (op gravel) tot 75km (asfalt) per dag fiets. Want het aantal kilometers
per dag wordt als heel belangrijk ervaren. Hoe meer kilometer per dag
hoe meer je in achting stijgt. Een stilzwijgen wordt dan vaak mijn deel.
Soms echter tref je een gelijk gestemde ziel en dan volgen er interessantere
gesprekken. Helemaal leuk wordt het als je een fietser van het eiland
zelf treft. Het heeft 6000km geduurd, maar ik heb er een ontmoet...
Heel belangrijk ook, aldus veel fietsers, is de weersverwachting.
Als ik alleen ben besteed ik er geen aandacht aan. Het weer is een gegeven
waar je als fietser niets aan kunt doen. Het is een ander verhaal als
je op IJsland over een auto kunt beschikken. Met een beetje oefening
kun je dan het mooie weer achterna rijden en opzoeken. Op IJsland is
het altijd ergens wel mooi weer, en vice versa. Het is voor een fietser
veel belangrijker dat jezelf kunt inschatten wat het weer de komende
uren gaat doen. Fietsen op IJsland betekent dan ook altijd met een oog
schuin omhoog fietsen. Ter illustratie:
Een
belevenis met wind en slecht weer hadden we op het gedeelte tussen de
Skógafoss en Vik. Het is slechts 35km, of daar omtrent, maar
het draaide eropuit dat het 't moeilijkste stuk werd dat we voor de
kiezen kregen. We vertrokken in Skógar met wat miezer regen en
een licht briesje tegen. Ik droeg slechts mijn sweater en verwachtte
geen moeilijkheden. Voor we de afslag naar Dyrhólaey bereikten,
was Bonny reeds drie keer van de weg gewaaid, was de temperatuur honderd
graden gedaald of zo en waren mijn kleren doorweekt. In mijn geheugen
bevond Vik zich aan de andere zijde van het heuveltje. Dus trok ik geen
extra kleren aan. Dat bleek een behoorlijke vergissing. De echte heuvel
lag een paar kilometer verderop. Om een lang uur kort te maken: toen
we heuvelaf gingen naar Vik kon ik mijn handen door de kou nauwelijks
tot niet meer gebruiken. Remmen was moeilijk, schakelen onmogelijk.
Bonny had dezelfde ervaring. Maar een stuk slimmer dan mij
had ze meer kleren aan en een regenjas... In het wegrestaurant in Vik
nam ik twee hoofdmenu's en het kwam ook niet slecht uit de winkel te
vinden die IJslandse wollen truien verkocht. Het slechte weer duurde
slechts een paar uur en 's avonds kon ik de Reynisdrangar bijna wolkeloos
fotograferen. Dit was maar weer eens een waarschuwing / friste het geheugen
maar weer eens op van het gevaar dat het IJslandse weer van het een
op het andere moment kan veroorzaken.
Ook
de voortdurende honger zal niet ontbreken in zo’n gesprek. Aan
een niet fietser valt dit moeilijk uit te leggen. Wanneer je serieus
aan het fietsen bent en in een tentje leeft, krijg je het aantal verbrandde
calorieën niet aangevuld met eten (in de Tour de France liggen
ze niet voor niets aan het infuus). Zelfs niet als je continu je maag
gevuld houdt. De consequentie is dan ook dat je afvalt. De eerste weken
viel ik per week gemiddeld een kilo af. Dat is voor iemand die “slechts”
drie weken fietsvakantie houdt niet erg. Drie weken lang bikkelen en
stevig in het rood fietsen moet kunnen. Zoveel reserves heeft je lichaam
wel. Hou je dat langer vol dan komt de klap vanzelf. Ik maakte het mee
tijdens mijn reis in 2001 naar de Noordkaap. Deze kaap heb ik niet bereikt,
ik kwam tien kilometer te kort. Ik werd ziek en volgens de arts daar
was mijn lichaam totaal uitgeput. De dag voordat ik ziek werd voelde
ik me echter beresterk (en denk dat verontreinigd water uiteindelijk
mijn lot bezegelde).
Ik had meer tijd te besteden dan menig andere fietser en
hoe tegenstrijdig dat ook klinkt, daarom fietste ik veel meer op reserve,
dus rustiger aan (daarbij: mijn eigenlijke doel was fotograferen, niet
fietsen). Toen ik in de gaten kreeg dat ik toch nog zoveel afviel, ging
ik kortere afstanden fietsen en bleef langer op een plaats genieten.
Dit was in de periode dat Bonny terug naar Nederland was. Toch voelde
ik de vermoeidheid nog in mijn hele lijf. Oké, ik ben een dagje
ouder, maar het zet je wel aan het denken. Vitamines uit een potje lijken
een goed alternatief voor groenten en fruit (waar je als fietser op
IJsland al snel aan voorbij gaat vanwege de prijs en / of het gewicht)
en als extra aanvulling bij zware arbeid. Ik slikte die pillen met enige
regelmaat. De vermoeidheid verdween echter pas toen ik bewust grote
hoeveelheden vers fruit ging eten. Op het moment dat Bonny terugkeerde
op IJsland woog ik net zoveel als bij haar vertrek. Dat had ik dus netjes
gedaan.
Tussen neus en lippen door kom je er tijdens gesprekken
met fietsers ook achter dat velen grote stukken met de bus afleggen.
Soms kun je ze daar geen ongelijk in geven. Bij anderen krijg je het
idee dat ze een echte fiets-in-de-bus-vakantie houden en de tweewieler
alleen gebruiken om eten bij de supermarkt te halen om vervolgens snel
weer terug te keren naar de camping.
Het observeren van het gedrag van fietsers op een camping
is ook een aangename bezigheid en met name dat van de macho-fietsers
– vaak Italianen en Fransen. Altijd tot in de puntjes gekleed
volgens de laatste wielermode en vaak het hoogste woord voerend. Soms
terecht aan de uitgewoonde gezichten te zien (afgezien op de Sprengisandur
e.d.), soms lachwekkend gelet op de beginnende buikjes en de zichtbaar
weinig beproefde fietsen. Lachen was het ook om die macho-fietser die
het voor elkaar kreeg binnen vijf minuten zijn fiets drie keer te laten
omwaaien. Op IJsland is het standaard dat je je fiets plat op de grond
legt, of anders stevig tegen een hek aan parkeert. Het is die wind he!
Het gezelschap fietsers omvat het hele spectrum. In het
ene uiterste vind je mensen met goede fietsen waaraan een prijskaartje
hangt van een heel behoorlijke auto. In een geval zelfs was de bezitter
van zo'n fiets eerst een jaar van te voren in Noorwegen gaan trainen
en testen of hij en zijn materiaal IJsland wel aan zouden kunnen...
IJsland is extreem, maar dit gaat wel ver. Ik moet toegeven dat hij
wel de meest kloterige weggetjes had uitgekozen.
Aan de andere kant kom je fietsers tegen op standaard huis-tuin-en-keuken-fietsen,
waarop je in Nederland net uit de voeten kunt, een fiets die een junk
nog net mee zou nemen, zoiets dus. Een keer kwamen we zo'n fietser tegen
op de Kjölur. Daarbij had hij achter de fiets ook nog een gammele
tweewielige aanhanger hangen. Ieder zijn hobby, hij leek er plezier
in te hebben. Je kunt het jezelf echter een stuk makkelijker maken.
Ook de leeftijden variëren aanzienlijk. Van achttienjarige
meiden, tot mensen die de pensioensgerechtigde leeftijd op zijn minst
benaderden. Ik kan dus nog even vooruit. Met andere woorden: iedereen
kan fietsen op IJsland en doet het op zijn eigen manier. En het waren
er een stuk meer dan in 2000.
HAUT-CUISINE
Of te wel, gaan we uit eten, of niet? Om maar mee in huis te vallen:
ze kunnen het nog steeds niet, die IJslanders, hamburgers bakken. Ook
in Höfn, in het houten restaurant, was het weer mis, opnieuw een
aangebrand stuk vlees.
Nu gaat het sowieso veel vaker mis dan goed als je uit eten
gaat. De eerste pizza in Thórshöfn was heel goed. Een paar
dagen later in dezelfde tent, dezelfde pizza besteld, maar een andere
kok. De pizza was totaal anders en de bodem aangebrand. Je kunt er geen
peil op trekken, net als het IJslandse weer zeggen ze. Maar wat dat
betreft, 2007 was een prachtige zomer...
Misschien hebben wij ook wel bovenmatig slechte ervaringen
met uit eten gaan doordat wij dat low-budget doen. Dan nog voel je je
bestolen als je uiteindelijk ziet wat je krijgt voorgeschoteld. Toch
moet je af en toe wel. Elke dag Toro Gryte, in de varianten Amerikaans,
Italiaans en Mexicaans; of de Knorr kant-en-klare macaroni zakjes of
de IJslandse variant daarvan, komen je op den duur ook de neusgaten
uit.

Neemt niet weg dat we ook lekker uit gegeten hebben. Bijvoorbeeld
bij Vik in het wegrestaurant, bij het museum van de bekende IJslandse
schrijver Thorberg Thordarson, bij Bautinn in Akureyri (tenminste de
eerste keer, de tweede keer was een stuk minder). En wanneer je toch
in Akureyri bent, moet je beslist een ijsje gaan eten bij Brynja. Dit
ijs is de enige reden voor iemand uit Reykjavik om naar Akureyri te
gaan..., aldus nogal wat IJslanders. Met name het buitenste laagje is
heel apart. Het smelt in je mond. Nogal wiedes, het is ijs, maar het
is toch anders. Dus als je in de buurt bent..., ervaar het zelf.
Later hebben we veel soft-ijsjes gegeten bij tankstations
en dergelijke, en die bleken ook niet verkeerd. Nu ik het toch over
zuivel heb, skyr vormde een zeer wezenlijk onderdeel van mijn IJslandse
dieet. Elke dag minimaal 500 gram. Zeven jaar geleden nuttigde ik per
dag zo'n halve liter bosbessenyoghurt. Die heb ik afgelopen jaar vervangen
door skyr. Skyr met een smaakje was volgens mij in 2000 niet zo ruim
voorradig als nu – als het er al was.
Fietsers hebben een nadeel, ik in elk geval wel, aan een
hoofdgerecht heb je niet genoeg. Heb je net een fortuin gespendeerd,
zit je een uur later weer met een knorrende maag op de fiets.
De bakkunsten van de gemiddelde IJslandse horecaondernemer
laten wat mij betreft te wensen over. Daarentegen kunnen ze wel soep
maken. IJslandse vleessoep is volgens Bonny een echte aanrader, bij
twijfel altijd nemen.
Laten
we het eens over de Franse keuken hebben. Het was op een camping ergens
in het zuiden en Bonny en ik hadden eieren gekookt. Een koppel Fransen
leek dat ook wel wat, zo zou later blijken. Overigens hadden wij net
op tijd ons ontbijt op. De keuken- en eetruimte vulde zich opeens met
de penetrante lucht van aangebrande pannenkoeken. Snel werden door het
Franse stel, enigszins beschaamd, de deuren tegenover elkaar opengezet.
Het kan de beste overkomen, vooral met campingpannen en dergelijke.
Die middag zetten de Fransen een pan water op met eieren
daarin. Vervolgens verdween zij uit beeld. Geruime tijd later kwam hij
binnen. Wij hoorden het water koken en maakten hem daarop attent. “Does
that mean that they’re ready?” Goed, dat je geen pannenkoeken
kan bakken a la, maar dat je nog geen ei kunt koken… Ben benieuwd
wat zij van een hamburger weten te maken. (volgende
pagina...)