FIETSTOCHT
IJSLAND
ZOMER 2007
Over
deze fietstocht heb ik drie artikelen geschreven:
– onderstaand,
– over IJslandse Saga's, op www.ijslandse-saga.nl,
onder sagareis 2007, en
– over IJslandse Honden, op www.ijslandse-hond.nl,
onder IJslanders op IJsland.
Alle
artikelen zijn geïllustreerd met foto's. De “echte” foto's,
niet zijnde kiekjes, komen op een eigen website: www.images-of-iceland.nl.
Het zal nog even duren voordat deze site online is.
Veel
plezier met het onderstaande reisverslag!
Tonny
Buijs
April
2008 |
MET DE FIETS OP IJSLAND
Waar kun je zoal mee te maken krijgen?
Rivierdoorwadingen
Het doorsteken van rivieren is een belevenis op zich. Ringwegfietsers
en Kjölurrijders krijgen er niet mee te maken, maar als je bijvoorbeeld
naar Þórsmörk wil, of de Sprengisandur fietst dan
kom je onvermijdelijk voor een paar stevige waterstromen te staan.
De eerste keer dat je door een rivier moet is best beangstigend. Je
weet dat het niet zonder gevaar is, maar je weet niet wanneer het
echt link wordt (ik tenminste niet). Hoe diep moet een rivier zijn,
wil je serieus in de problemen kunnen komen? Begint dat al bij enkeldiepte,
of pas bij heupdiepte en hoe doe je het met de bagage?
De serieuze problemen beginnen al bij kniediepte, zoveel
is me nu duidelijk. Dat geldt zeker voor gletsjerrivieren.
In het snelstromende water van een gletsjerrivier werken
heel veel zaken tegen je om het je moeilijk te maken. Allereerst is
het water ondoorzichtig. Je hebt dus alleen het stromingspatroon van
het water om de diepte - het diepteverloop - van de oversteek in te
schatten. Rustig stromend water duidt op diepere stukken, wilder water
op ondieper. Het kan geen kwaad dit soort stromingen eens rustig te
observeren bij een heldere regenwaterrivier. Een kwartiertje observeren
daar, zegt meer dan vier A-viertjes vol ingewikkelde uitleg hier.
Een tweede punt is dat de bodem vaak bestaat uit min of
meer afgeronde keien, maar soms ook vlijmscherpe, die in de heftige
stroming net op hun plaats blijven liggen. Vanaf kniediepte wordt
stevig doorstappen in de rivier onmogelijk. Je loopt als het ware
over losliggende, zwevende, stenen en daarbij word je bijna omvergeblazen
door het water. Er wordt dan ook nogal wat van je evenwichtskunsten
verwacht. Meer dan geconcentreerd schuifelen zit er dan ook niet in.
Het is in principe ook geen goed idee om tijdens de oversteek, vlak
voor je, naar het voorbij razende water te kijken. Daar kun je flink
van uit evenwicht raken. Kijk naar een vast punt (schuin) aan de overkant
en schuifel daar rustig, maar kordaat naar toe.
Vanaf kniediepte gaat ook de bepakking van je fiets een
grote rol spelen. De Low-rider tassen zullen zeker voor een deel onder
water verdwijnen. De druk die het water daar op uitoefent is ongelooflijk.
Ik kon in Þórsmörk onder deze omstandigheden de
fiets van Bonny nog maar net houden. Ben je alleen, dan zul je vanaf
kniediepte je fiets en bagage apart moeten overbrengen. Met zijn tweeën
kun je een fiets per keer nemen.
Vanwege de “losliggende” keien en het ijskoude
water dat alle gevoel uit je voeten trekt, is het zeker geen goed
idee zonder schoeisel aan een rivier door te steken. Dat is vragen
om verwondingen, verstuikte enkels en wellicht erger. Veel fietsers
nemen sandalen of iets dergelijks mee speciaal voor de rivieren. Ik
vond het echter best prettig gewoon met mijn bergschoenen aan de oversteek
te wagen. Je staat volgens mij dan toch iets steviger op je benen
dan met sandalen. Groot nadeel is dan weer dat je dagen later nog
loopt te soppen in je schoenen.
De plaats waar auto’s doorsteken is niet de plek
waar een fietser door de rivier gaat. Het kan echter geen kwaad auto’s
te observeren tijdens hun doorwading. Je krijgt dan alvast een idee
van de diepte. Daarna kun je te voet, zonder fiets, een doorsteekroute
verkennen. De autoroute is daarom geen fietsroute, omdat auto’s
ter plekke de bodem uithollen waardoor het daar dieper wordt. Net
boven en onder die doorwaadbare plaats is het ondieper en liggen er
kansen voor fietsers. Ik heb niet kunnen vaststellen of de stroomopwaartse-
dan wel de stroomafwaartse kant beter is. Ter plekke maakte ik de
keus voor de een of de ander. Ideaal is het als je licht schuin stroomafwaarts
kunt lopen. Je wordt dan als het ware een beetje op weg geholpen door
het water.
En dan is er nog de vraag waar je je fiets houdt. Loop
je stroomafwaarts van je fiets, of juist niet? Bij mij is het antwoord
simpel. Ik ben rechtshandig en loop daarom links naast de fiets -
altijd. Een hand aan het stuur, de ander achter het zadel. Wanneer
ik rechts van de fiets zou lopen heb ik totaal geen controle en kan
ik ook niets met kracht corrigeren mocht dat nodig zijn. Ik weet wel,
dat wanneer de fiets zich stroomafwaarts van mij bevindt ik deze zonder
pardon los kan laten zonder zelf in problemen te komen. Bevindt de
fiets zich stroomopwaarts van mij dan krijg ik bij problemen, een
val, of bij zo’n sterke stroming dat fiets en begeleider omver
worden geblazen, in elk geval de fiets over me heen. Ik kan hier niet
zeggen wat wijsheid is.

Naschrift:
Correspondentie met een IJslandse ervaringsdeskundige leert het
volgende. De methode: fiets stroomopwaarts van je
levert bij haar onstabiele en lastige doorsteken op. Los van de
eerder genoemde nadelen zou dit zeker haar voorkeur niet hebben.
Eigenlijk omzeilt zij het hele ‘probleem' door gewoon de fiets -
zonder bagage - op de nek te nemen en naar de overkant te lopen
(en vervolgens nog een paar keer terug voor de bagage). Deze ‘derde'
methode zorgt er ook nog eens voor dat je fiets niet wordt blootgesteld
aan de zandstralende werking van het met scherp gruis vol zittende
gletsjerwater.
En dit is de juiste manier om met de benenwagen een
diepere rivier door te steken. Ben je alleen dan ga je zijdelings
door het water. Je hele lijf stroomopwaarts gericht. Je stapt zijdelings
weg en sluit daarna je andere been bij, zonder je voet al te veel
op te tillen, dit herhaal je tot je de overkant bereikt. Zo ga je
haaks op de stroom naar de overkant. En het is daarbij de bedoeling
om zo min mogelijk stroomafwaarts te raken.
Ben je met z'n tweeën, of liever nog met meer,
dan ga je met je hele lijf gericht op de overkant door het water.
Met de armen om elkaars schouders, of gearmd ga je samen, door vooruit
te stappen, op linie door het water. De sterkste persoon uit de
groep staat aan de stroomopwaartse kant.
Of je nu alleen bent, of met meerderen, zorg er altijd voor
dat je je bagage onmiddellijk kunt lozen in geval van nood. Dat
betekent bijvoorbeeld dat je de gespen van de heup- en borstband
van een rugzak los hebt, zodat je die alleen maar van je hoeft af
te schudden wanneer je onbedoeld een frisse duik neemt.
Een diepere rivier dan ruim kniediepte ben ik niet doorgestoken.
Bij diepere rivieren of bij twijfel is het helemaal geen slecht idee
een lift te vragen aan een IJslander met een enorme 4 x 4 bak. Een laatste
redmiddel kan nog zijn om, in het geval dat het een gletsjerrivier betreft,
te wachten tot de volgende ochtend. Door de afkoeling ’s nachts
is er ’s ochtends minder afvoer van smeltwater en is de waterstand
dus lager (soms aanzienlijk). Wanneer de rivier zijn laagste stand bereikt,
hangt natuurlijk ook af van de plaats waar jij je bevindt en de afstand
tot de gletsjer die het water levert.
Þórsmörk
De twee “ergste” rivieren, de twee gletsjerrivieren, op
weg naar Þórsmörk kun je ook oversteken via een
voetgangersbrug. De Krossá in Þórsmörk zelf
is sowieso voor een fietser niet te doen. Elk jaar verdwijnen er weer
grote auto’s in deze woedende stroom. Toch zagen Bonny en ik
een groepje Italianen te voet door de Krossá gaan. Met skistokken
voor evenwicht en steun, en met rugzak – heupgordel los! - waagden
zij zich door de stroom. Ik zou het ze niet graag na doen. De voetgangersbrug
over de Krossá is niet echt geschikt voor een fietser om over
te steken naar de camping op de andere oever. Je komt de brug wel
over, als de Krossá zijn loopt niet heeft verlegd zoals dit
jaar, maar het wandelpad dat daarop volgt is ongeschikt voor een fiets
- zelfs aan de hand. Als fietser kun je beter naar camping Basar gaan,
die ligt wat dieper het dal in.
Tijdens een eetpauze op weg naar Þórsmörk
speelde zich voor onze ogen het volgende af. Wij rustten uit net voor
weer een rivierdoorsteek. Dit stroompje bevatte nauwelijks water,
maar dat is nog geen garantie voor een probleemloze overtocht. Een
IJslands busje vol toeristen kwam rustig aanrijden uit de richting
van Þórsmörk, deze reed langzaam het stroompje in
en stond plots muurvast. Er was geen beweging meer in te krijgen!
De toeristen, belust op avontuur, stapten uit met hun
camera’s in de aanslag en waren driftig aan het fotograferen.
Spannende foto’s voor thuis... En het was lekker weer, dus het
leven goed. De eerste dikke auto die langskwam, reed zonder meer door,
schijnbaar zonder contact te leggen (heel on-IJslands). Daarna kwam
eenzelfde busje, van dezelfde maatschappij, hulp bieden. Zonder problemen
reed deze door het stroompje en stopte op vaste grond. Daarna werd
een sleepkabel vastgemaakt. De kabel werd door het voorste busje strakgetrokken
en stond spoedig fluitend in de wind. Knal. De kabel was aan flarden.
Deze poging was mislukt. We hadden het slechter kunnen treffen met
onze pauze! Het boeiende schouwspel zou nog even worden voortgezet.
Met de sleepkabel dubbel werd uiteindelijk het onfortuinlijke busje
losgetrokken en konden de gelukkige toeristen worden ingeladen.
Valt hier nog wat uit te leren? Jawel. Bij langzaam stromende
riviertjes wordt grof zand afgezet / bezinkt grof zand. Dit werkt
als drijfzand. Voor je het weet zit een auto vast. Maar ook een fiets
loopt erin vast en als je niet doorloopt krijg je ook nauwelijks je
voeten meer los. Levensbedreigend is het allemaal niet, wel iets om
rekening mee te houden.
Tunnels
Als ik met de fiets ergens een hekel aan heb dan zijn het tunnels.
Op IJsland zijn er niet veel. Ik kwam er twee tegen. Eentje ligt tussen
Dalvík en Ólafsfjörður (3400m lang) en dit
is niet echt een prettige. Schaars verlicht en enkelbaans, maar met
uitwijkhavens om de paar honderd meter. Ik kwam vanaf Dalvík
en had zo het voordeel dat de weg door de tunnel licht afliep en ik
een flinke snelheid kon ontwikkelen, verder had ik de uitwijkhavens
aan mijn rechterzijde. Wanneer er een auto naderde maakte ik gebruik
van zo'n uitwijkplaats en wachtte tot de auto voorbij was.
En bij Höfn hebben ze inmiddels ook een tunnel aangelegd.
De ingang ligt naast de oude weg die ook nog steeds toegankelijk is.
Echte die-hard-bikers geven natuurlijk de voorkeur aan de oude weg
met z’n lange helling van zestien procent (en mooie uitzicht!).
Wij namen de tunnel...
Deze 1300 meter lange dubbelbaans tunnel is voor fietsers
goed te doen. Er is voldoende licht en wanneer er een auto aankomt,
kun je desgewenst makkelijk uitwijken. Ik ging op de “vluchtstrook”
staan als er een auto naderde. En dat komt hier in het zuid-oosten,
zelfs op de Ringweg 1., gelukkig maar zelden voor. Het fietsen is
hier, op de Ringweg 1., zo eind augustus toch prettig te noemen. Vanaf
het Jökulsárlón is de ergste drukte voorbij tot
aan Djúpivogur waar het autoverkeer weer sterk toeneemt.
Vogels
Als fietser heb je alle tijd om rustig om je heen te kijken en kennis
te nemen van de soms zeer talrijk aanwezige vogels. Het hangt er een
beetje vanaf waar je fietst welke soorten je treft. Telkens weer verbaasde
het me om grauwe ganzen door de nauwe diepe kloven te zien vliegen.
Een vogel die we hier kennen van uiterwaarden en weilanden, daar zo
uit deze Hollandse context te zien blijft apart.
Weidevogels begeleiden je bijna altijd, vanaf het moment
dat ze eieren hebben tot het moment dat de jongen kunnen vliegen.
Tureluurs en regenwulpen maken je bijkans gek met hun geluid. Gelukkig
kun je weidevogels als tureluur, grutto en watersnip op IJsland nog
volop zien, in Nederland is dat ondertussen wel anders. Daar komen
dan nog eens de regenwulpen, goudplevieren en bontbekplevieren bij.
Met uitzondering van de watersnip, lopen de andere vijf
je geregeld voor de fiets. Ze komen naar je toe om je weg te lokken
van hun nest of kroost. Het is een prachtig gezicht, maar ik houd
telkens mijn hart vast. Zolang ze zich met mij bezighouden, hebben
ze die veel snellere wagens misschien niet in de gaten. En aan de
talrijke vogelkadavers langs de kant van de weg te zien (Ringweg 1.!),
kunnen ze dat maar beter wel doen. Het blijft een triest gezicht,
en is ook zo onnodig. Ik ben hun vijand niet, het is dat razende ding
op vier wielen.
De dag en nacht grasmaaiende boeren kunnen je op IJsland
ook niet ontgaan. En net als in Nederland leidt dat tot slachtoffers.
Op plekken waar het gras nog hoog staat word je omringd door vogels.
Op stukken die net zijn gemaaid zie je de beduusde uitgemaaide vogels
op de paaltjes langs de weg zitten. Hun lied verstilt. Die velden
zijn leeg, doods. Op grasland dat al wat langer geleden is gemaaid
zie je dat vogels die hun broedsel hebben zien mislukken zich alweer
aaneensluiten tot groepen.
Aan de kust bestaat de kans om aangevallen te worden door
Noordse sterns. Die keren dat je op je kop gepikt wordt komen toch
steeds als een verassing. Je ziet het aankomen, maar je gelooft gewoon
niet dat ze het ook echt menen.
Het loont ook de moeite om je ogen open te houden voor
het spotten van een giervalk. Het blijft spectaculair om er een te
zien. Deze reis kon ik er zeven bijschrijven.
De val
Als fietser, of wandelaar ontkom je er soms niet aan. Je komt op een
plek waar je liever niet bent, maar waar je door je geringe actieradius
voor dat moment niet aan kunt ontkomen. De camping bij Fosshóll
is zo'n plek. Het is absoluut de slechtste officiële camping
die ik dit jaar heb bezocht. Duur, geen voorzieningen en zelfs het
sanitair moet je delen met de bezoekers van de Goðafoss die met
busladingen vol worden aangevoerd.
En ik was er niet één maar twee keer! Het
verhaaltje over die ezel gaat niet echt op, want ik had een verheven
doel, namelijk een mooie foto van de Goðafoss. Dat lukte bij het
eerste bezoek niet (slecht weer / licht), en bij het tweede ook niet
(onkunde). Die camping ligt nagenoeg naast de waterval en in de onmiddellijke
nabijheid bevinden zich geen geschikte plekken om wild te kamperen
(heb je met een camper geen last van, die blijven gewoon gezellig
met zijn allen op de parkeerplaats staan). Dus... Als je een keus
hebt. Fiets hier dan alsjeblieft door.
En soms heeft het met eten te maken. Als fietser en wandelaar
heb je slechts beperkte ruimte voor proviand. Wij raakten in Þórsmörk
bijna door ons eten heen, gewoon omdat het daar zo mooi was en we
ons verblijf wilden rekken. Dat betekende wel dat we, toen we, bij
de Skógafoss kwamen reikhalzend uitkeken naar de “cafetaria”
daar. Die bleek zeer duur te zijn en heel weinig nuttige etenswaren
te verkopen. Een automobilist rijdt gewoon even door naar Vik. Als
fietser en wandelaar heb je die luxe niet. Hier bij Skógar
begint, dan wel eindigt, IJslands bekendste wandelroute: de Laugavegur
(tussenstation Þórsmörk, eindstation Landmannalaugar).
En ik vermoed dan ook, dat verschillende wandelaars deze cafetaria,
deze goed opgestelde 'val', vloekend hebben verlaten. U bent gewaarschuwd.

De Skógafoss was overigens minder mooi dan zeven
jaar geleden. Of het nu komt doordat het zo’n droge zomer is
geweest waardoor de rivier minder water afvoert, of doordat de rivier
de bedding bij de waterval op de ene plek meer / dieper dan de andere
heeft ingesleten. Feit is dat er een hap uit de rechthoekige deken
is uitgevallen. En het mooie van de Skógafoss zat hem daar
in, dat het een volmaakt vallende rechthoek van water was. (volgende
pagina...)
|