DE
EERSTE INDRUKKEN VAN 2007
Het
fietsen
De avond van de 15de mei gaat onze hond Grettir niets vermoedend mee
met mijn moeder. Hij weet niet dat hij zijn baasje zo'n vier maanden
moet missen. Daarna pak ik de laatste zaken in en zet de boel klaar
om morgenochtend met enige orde te kunnen vertrekken.

Het weer is al tijden slecht, en deze ochtend vormt geen
uitzondering. Met bakken komt het uit de lucht, pijpenstelen regent
het. De beladen fiets voelt als lood en oogt massief. Waar ben ik aan
begonnen? Na honderd meter dient zich hier in Oosterbeek al een eerste
klim aan, 9% of iets daaromtrent. Tijdens de klim raak ik in mijn regenkleding
net zo doorweekt als ik zonder deze geweest zou zijn. Wie heeft dit
onzinnige plan bedacht om weer op IJsland te gaan fietsen? Ik mag blij
zijn als ik Oosterbeek uitkom. De trein rolt echter, een terug is er
niet meer.
Eenmaal op vlakke weg blijkt dat het fietsen minder zwaar
is dan gevreesd. Eenmaal in beweging doen de goede wiellagers hun werk.
En 's middags breekt ook de zon nog door. Die zou me, behoudens de nachtelijke
verdwijningen, de eerste maanden niet meer in de steek laten. Op IJsland
zelfs 's nachts niet. En hoe zonnig het was blijkt wel hieruit: voor
het eerst van mijn leven is de achterkant van mijn oren verbrand door
de zon...
Het loopwerk van de fiets mocht dan in orde zijn, de aandrijving
kende een zwak punt: de knieën. De tweede dag begon mijn rechterknie
geïrriteerd te raken en dat werd van kwaad tot erger. Door de zadelhoogte
aan te passen kon ik verscheidene keren de knie schijnbaar ontlasten
omdat de pijn verdween. Toen de ideale zithoogte bereikt was, bleek
de pijn toch hardnekkig. Het was voornamelijk mijn rechterknie die opspeelde,
maar links begon zich ook te roeren. Op een gegeven moment was de pijn
zo erg dat ik niet meer met een lange broek aan kon fietsen. Toen vreesde
ik dat ik mijn knieën totaal in de poeier aan het fietsen was.
Opgeven was echter geen alternatief. En vreemd genoeg had ik nauwelijks
pijn als ik een korte broek droeg.
Bonny die met de trein richting Hanstholm kwam bracht kniebanden
mee. Dat beetje extra steun hielp goed. Na een tijdje deed mijn rechterknie
geen pijn meer en toen speelde de linker een tijdje op. Pas na een week
of vijf kon ik de kniebanden afdoen en heb ik geen last meer gehad.
Ik denk dat dit wel illustreert hoeveel bagage ik bij me had.
En dit speelde in Denemarken. Een vrolijk oud mannetje komt
ons fietsend tegemoet. Hij neemt mij en mijn fiets nieuwsgierig op.
We groeten elkaar vriendelijk en fietsen door. Niets aan de hand, tot
hij eens goed in zijn achteruitkijkspiegeltje keek, zag wat ik nog meer
achter de fiets had hangen en pardoes bijna van zijn fiets viel. Bonny
die achter me fietste heeft hij waarschijnlijk niet eens gezien. Maar
zij zag alles gebeuren.
Overtocht en hernieuwde kennismaking
Ik zag op tegen de bootreis. Het meest gevreesd: zeeziekte. Je kunt
niet zeggen dat ik me niet goed had voorbereid. Ik had scopalaminepleisters
voor achter mijn oor, kalmeringspillen, slaappillen en pillen tegen
zeeziekte. Allereerst was ik blij toen ik de veerboot zag dat deze veel
groter was dan de oude Norröna. Ten tweede hadden we een zeer rustige
overtocht, zowel heen als terug. En dat heeft alles met geluk te maken,
de terugtocht een week later bleek een stuk heftiger...
Zo, was ik even opgelucht toen we IJsland in zicht kregen.
Af en toe liet zich een walvis zien. Besneeuwde bergtoppen, afgetekend
in een strak blauwe lucht, lachten ons tegemoet. Welkom thuis vreemdeling
straalden ze. De voortekenen waren gunstig.

De haven van Seyðisfjörður bleek veranderd,
deze was aangepast aan de grotere boot. Voor de rest leek de tijd te
hebben stil gestaan. Tijdens onze wandeling bergop, (jawel, zelfs de
training in Denemarken bleek niet voldoende om deze bergpas helemaal
fietsend te bedwingen en dan zat ik ook nog met mijn knieën die
ik wilde ontzien), zagen we dat er druk gegraven werd om een of andere
pijpleiding aan te leggen. Bij ons vertrek waren ze daar nog mee bezig.
Door alle grondverzet was het interessant om te zien dat in elk geval
bovenop de pas de diepe bodem gewoon uit een grote ijsklomp bleek te
bestaan, een soort van 'perma frost'.

Ook in Egilsstaðir was er volop bedrijvigheid. Overal
werden huizen uit de grond gestampt en op weg naar de Hengifoss bleek
dat er veel asfalt was bijgekomen en een nieuwe brug was gebouwd. Bij
de weg onderaan de Hengifoss was een zeer luxe pick-nick gelegenheid
verschenen. De route naar de waterval was eens niet meer dan een breed
schapenpaadje maar is verworden tot een vierbaansweg. De hernieuwde
kennismaking bleek ook een schaduwzijde te hebben. Desalniettemin viel
er opnieuw veel te genieten in dit gebied. Het is voor mij een zeer
rustgevende omgeving.
De
eerste nacht brachten we badend in de zon door aan de oever van de Lagarfljót.
Telefonisch hadden we contact met vrienden uit Nederland die op dat
moment zwaar in de kou en mist op Langanes zaten. We moesten wat afspreken
voor de barbecue op IJsland. Die hadden Bonny en ik namelijk gewonnen
met de kerstpuzzel die zij hadden georganiseerd (de reis zelf was niet
inbegrepen...).
Binnen een paar dagen zou die moeten plaatsvinden en het
kwam zo uit, dat we toen net de weg over de Hellisheiði aan het
beklimmen waren. Dat betekende in ons geval weer een flinke wandeling.
En Bonny protesteerde ook niet toen ik na bijna iedere haarspeldbocht
de fotospullen weer van de fiets haalde. Weer een extra pauze... en
dat bij dit uitzicht: stralende zon, strak blauwe lucht, rondom besneeuwde
bergtoppen en een zicht van zeker honderd kilometer.


Aan elke beproeving komt een eind. En na op de top nog wat
foto's gemaakt te hebben in de sneeuw konden we beginnen aan de lastige
afdaling. Bijna beneden kreeg ik de eerste lekke band en laat ons nu
net een dikke SUV tegemoet komen met twee lachende Hollandse gezichten
daarin. Even een bandje plakken, een mooi plekje aan de kust vinden
en dan kan de brand in de kolen. Het eten heeft ons wel eens minder
gesmaakt.
Welvaart
In 2000 schreef ik dat IJslanders in elk geval twee dromen hadden: een
grote vierwielaangedreven auto voor de deur en een eigen vakantiehuisje.
Zie dan: binnen zeven jaar hebben ze die dromen weten te verwezenlijken.
Ze bezitten niet alleen 4 x 4 wagens, vaak zijn dat ook nog van die
enorme, meestal Japanse, superjeeps. En in zekere zin is deel twee van
die droom ook uitgekomen. IJslanders kiezen niet alleen voor het traditionele
vakantiehuisje: een chalet in een bos. Velen nemen hun tweede huis mee.
De ene camper is nog groter dan de andere. Want wat is makkelijker en
leuker dan je tweede huis mee te nemen door gans het land en dan eens
lekker te gaan barbecueën? IJsland is verworden tot een land van
Winnebago Warriors, trotse vikingen als ze eens waren.
De helft van de IJslanders heeft zoveel geld dat ze van
gekkigheid niet meer weten wat ze ermee moeten doen. Dat is geen uitspraak
van mij, maar van enkele IJslanders zelf. Toch heb ik verscheidene IJslanders
prullenbakken zien doorzoeken. En die zagen er niet uit alsof ze de
jack-pot gewonnen hadden.
De IJslanders die ik sprak konden niet echt verklaren waar
hun rijkdom “ineens” vandaan kwam. De toeristenindustrie
groeit weliswaar, maar voorzover ik kan overzien hebben ze hun zee bijna
leeggevist en zal de belangrijke visserijsector klappen krijgen of al
hebben gekregen. Het meest gegeven verklarende antwoord was dat IJslands
geld dat overzee werd geïnvesteerd zeer veel rendement had opgeleverd.
Een uiting van de toegenomen welvaart is misschien ook nog
het “enorme” contingent buitenlandse arbeiders, voornamelijk
Polen, dat de groeiende IJslandse economie draaiende moet houden.
Op moment van schrijven, eind maart 2008, duikelt de IJslandse kroon
in een vrije val. Zal de rijkdom van de IJslanders weer smelten als
sneeuw voor de zon?
De
toegenomen welvaart van de IJslanders bleek ook nog uit iets anders.
In zwembaden was duidelijk te zien dat niet alleen hun auto's in omvang
waren gegroeid. Voor velen zou het niet slecht zijn een paar rondjes
Ringweg te fietsen. In Nederland zal dit ongetwijfeld ook het geval
zijn, alleen kom ik daar nooit in een zwembad, het water is me in het
kikkerlandje veel te koud.
En zo is ook het beeld op de camping veranderd. Was je in
2000 nog spekkoper met een vouwwagen, nu krabbel je daarmee toch behoorlijk
achteraan. Om nog enigszins serieus genomen te worden, in het geweld
van campers – complete autobussen – en caravans –
van het formaat waar Frans Bauer jaloers op zou worden – , dan
moet je vouwwagen wel uit de buitencategorie qua formaat zijn. En ach,
IJslanders in een tentje… dat moeten welhaast idealisten zijn.
Eerlijk is eerlijk, je hebt altijd baas boven baas. Was
het Jan de Rooy die kwam trainen voor Parijs – Dakar 2008? We
zagen het gevaarte, een tot camper verbouwde vrachtwagen, op de camping
van Akureyri. De voerman van het vehikel was een Duitser met ongetwijfeld
een heel klein pikkie. De volgende stap in deze wedloop is waarschijnlijk
een op een onderstel van een Leopard II tank gebouwde kampeercabine.
Dan kun je waarlijk met je ogen dicht de Sprengisandur rijden en heb
je het avontuur dat IJsland heet voorgoed de nek omgedraaid.
Deze Duitse expeditie-wagen bleek overigens niet de enige in
zijn soort. Deze was nog bescheiden groen, maar we hebben ze ook in
onze nationale kleur oranje gezien. Met Zwitsers aan het stuurwiel,
dat dan weer wel.
Dit transportmiddel vormt natuurlijk de comfortabele mogelijkheid
om aan de massa te ontsnappen en op moeilijk bereikbare plekken te komen.
Als fotograaf zou ik graag zo’n ding hebben… Aan de andere
kant is het de doodsteek voor avontuurlijk IJsland.
Vesturdalur
De eerste grote en voor mij nieuwe toeristenattractie die de handjes
weer op elkaar kreeg was het Vesturdalur. Ásbyrgi vond ik tegenvallen,
een steile klif in de vorm van een hoefijzer, misschien is het te groot
om in een beeld te vatten. Mijn gevoel kon er in elk geval niets mee.

Bij het Vesturdalur daarentegen zijn zoveel mooie, gekke en intieme
plekjes dat ik weer mijn ogen uit keek. Op een beschutte plek, door
het micro-klimaat dat daar heerste, stonden al heel veel planten volop
in bloei. De talloze geraniums staken elkaar de loef af wie het meest
blauw / paars kon stralen en ook de orchideeën lieten zich hier
niet onbetuigd. Een kleine waterval maakte het plaatje compleet.


Een eindje fietsen verder bracht ons bij de Dettifoss. En
die was toch wel indrukwekkend... Het watergebulder klonk als het lied
van de Sirenen. Als je er maar lang genoeg bij staat, dan brengt het
monotone gedreun dat je door heel je lijf voelt, je automatisch in trance
en krijg je vanzelf de aandrang naar beneden te springen. Ik heb hier
's nacht heerlijk een paar uur kunnen fotograferen zonder iemand tegen
te komen.

Voor wandelaars, en fietsers (die daarvoor wel met fiets
en al een beetje moeten klauteren) ligt hier een kleine verborgen “camping”.
Het belangrijkste van deze plek is dat je hier legaal in het natuurpark
kan kamperen en ook niet onbelangrijk in deze droge uithoek is de aanwezigheid
van een paar jerrycans met drinkwater (Gps-coördinaat camping Dettifoss:
N65°48.909 WO16°24.169). (volgende
pagina...)