het plan / geplande route / voorbereiding / aankomst / glymur / op weg naar askja / askja / jökulsárhlaup / goðafoss / terreinauto / jimny / dynkur / baula / snæfellsnes / informatievoorziening / tot slot

pagina 1 van 6
ga naar: 1, 2, 3, 4, 5, 6.


Op weg naar Askja

De weg over de Hellisheiði de volgende dag was nat en de afdaling ijskoud. De thee en lekkernijen in
Hveragerði kwamen niets te vroeg. Het weer werd beter en het ging zo voor de wind dat ik in Sellfoss niet eens de hamburger naar binnen gewerkt kreeg. Het altijd en overal kunnen eten, zo gebruikelijk tijdens mijn fietsreizen, zat er nog niet in. Sterker nog: het is deze keer grotendeels uitgebleven. Wellicht dat het iets te maken heeft gehad met de hardloopconditie. Zeven kilometer voor Hella reden we weg 26 op en even later vond onze tent een plaatsje in een droge sloot. Het was voor het eerst sinds het zwembadje van Brautartunga dat ik de tent opzette. Een ongemakkelijk gevoel bekroop me. IJsland, een fiets en een tent, vaak gaat het goed, soms echter kun je met regen en / of wind geen kant meer op. Dat bleek vorig jaar en wie kon zeggen dat het dit jaar anders zou zijn? Op een nieuwe mislukking zat ik niet te wachten en al helemaal niet in de aanloop van deze tocht naar de Askja. Voor het moment was er geen reden aan te nemen dat het klote weer zou worden en deden we wat we altijd deden: de tent zo goed mogelijk windgedekt neerzetten. Wel apart dat die emotie van vorig jaar terugkwam zodra ik de tent uit het foedraal haalde.
    De rit langs de Hekla bracht voor mij iets bijzonders. Hier wordt de Vulka gedolven die ik rijkelijk bij mijn orchideeën strooi. Sterker nog: de weg bestond over een gedeelte uit dit goedje. Naarmate de dag vorderde trok de wind aan. Op een gegeven moment stond aangegeven dat een zeker hotel nog veertien kilometer ver weg was. Was het niet Nederland – Uruguay vanavond? Ze zouden daar vast een televisie hebben. Zouden we niet proberen daar op tijd te zijn? Veertien kilometer in meer dan twee uur, dat moest toch kunnen? O ja, we waren op tijd. Op ons tandvlees en een kwartier voor de wedstrijd begon bereikten we Hrauneyjar. Het was iets met de wind of zo, aan de weg lag het niet want die bestond op het laatst uit keurig asfalt. Wij wonnen, en rond de tent stond het vol Poppenorchissen, in verschillende kleuren, ook dat nog. Aan fietsen viel echter niet te denken; het was weer windkracht veel te veel. Ook de hele volgende dag niet. De lucht richting het binnenland zag gekleurd van het rond stuivende zand. Een boek en nog een mooie halve finale verder bleek de situatie niet echt verbeterd. Het was gewoon niet leuk meer en de tijd te kostbaar om het verder uit te zitten. Spanje bleek trouwens wel heel erg goed te zijn.
    Nauwelijks merkbaar was de wind afgenomen. Bonny nam de bus naar Versalir en zou daar de tent opzetten (bij de bebouwing daar moest dat windgedekt kunnen). Vastbesloten me niet te laten kisten door de wind stapte ik op de fiets. Heel even fietste ik op met een collega. Hij nam de afslag naar Landmannalaugar. Hij vertelde de vorige dag ook gefietst te hebben (respect, als dat met de wind van gisteren tegen was). Hij gebruikte een vol beladen 28 inch fiets. Het frame leek mij voor IJslandse omstandigheden niet stijf genoeg. Bij windvlagen van opzij leek de fiets af en toe te buigen / dubbel te vouwen.
   Het wegdek op de Sprengisandur bleek veel beter dan verwacht, al had ik op een helling waar los gravel was gestort de nodige moeite de fiets naar boven te duwen. Net op dat moment kwam de bus voorbij waar Bonny in zat. Was het niet beter als ook ik de bus zou nemen? Je doet het goed of je doet het niet, en een met-de-fiets-in-de-bus-vakantie is nou eenmaal niet aan mij besteed. Maar het vergde nogal wat van me om Versalir te bereiken. Ik was blij de tent te zien staan.
    Onderweg had ik aan autotoeristen gevraagd om, wanneer ze het kleine groene tentje bij Versalir zagen even door te geven dat ik nog vol goede moed onderweg was. Aan een tegemoet komende rescue-team-achtige auto vroeg ik of ze een groen tentje hadden zien staan. De inzittenden verklaarden van niet, maar ik had sowieso al het idee dat ze meer oog voor elkaar hadden dan voor de omgeving. Bonny had inderdaad te horen gekregen dat ik nog dapper doorploegde.
    De volgende dag fietste Bonny weer met me mee. Pas met zicht op de Hofsjökull gletsjer werd het uitzicht vanaf de Sprengisandur interessanter. Eerder op de route was me de menselijke invloed te duidelijk aanwezig. Na drie dagen Sprengisandur doemde het prachtig gekleurde gebergte van Nýidalur voor ons op. Drie in potentie moeilijke rivieren liggen in de buurt van de hut / camping van Nýidalur. De heldere rivier die ons aan deze kant wachtte vormde geen probleem. Er stond nauwelijks water in. Het volgende goede nieuws was dat ons pakketje was aangekomen. Wat een luxe. Het weer was minder: regenachtig en koud.
    We zouden de bekende wandeltocht gaan maken. Van de rangers kregen we het telefoonnummer van de hut dat we via onze satelliettelefoon in geval van nood konden bellen. Het geeft toch een stukje vrijheid niet op een afgesproken tijdstip terug te hoeven zijn, zodat niet onmiddellijk het hele reddingsapparaat wordt ingeschakeld als je iets te lang in een warm badje ligt. De wandeling was zwaarder dan verwacht. De vlagen regen werkten niet mee en het was voor ons ook moeilijk in te schatten hoe ver het nog tot ons doel was. Het is veel makkelijker een richtpunt te hebben.
    Op een gegeven moment had Bonny het wel gehad. Ik liep nog een paar honderd meter door want ik had het gevoel redelijk dichtbij te zijn. Ik liep op de flank van een berg toen me de pas werd afgesneden door een flinke baan sneeuw. De in een geul achtergebleven sneeuw liep vanaf de top tot in het dal. Dit was een situatie die ik niet kende. Een ding was zeker: de helling was behoorlijk steil. Zeker was ook dat het volgende paaltje voorbij de sneeuw stond. Ik besloot in mijn eentje het risico niet te nemen, bovendien was het ook geen doen Bonny langer te laten wachten in de kou en miezer. Ik was dus heel snel weer bij haar terug.
    We waren goed en wel gereed om de terugtocht te aanvaarden toen iemand ons met rasse schreden tegemoet kwam. Hij zocht hetzelfde als ons en volgens hem was het amper nog twee kilometer lopen. Hij kwam overtuigend over en had detailkaarten en een kompas. Twee kilometer, dat was ook voor Bonny nog te doen. Gedrieën gingen we op weg. Opnieuw werd ik geconfronteerd met de sneeuw op de helling. Zonder dralen liep onze reisgenoot, een Sloveen, over een smal, maar steil stuk, naar de overkant. Het leek mij niet de plaats. Iets naar beneden lag een breder en veel minder steil stuk. Eenmaal daar aangekomen bleek wat een mazzel ons vriend had gehad. Hiervandaan was te zien dat hij op het eerste stuk over een uiterst dunne korst sneeuw had gelopen. Daaronder liep een flink diepe scheur. Zonder problemen bereikten ook wij de overkant.
    Rustig pratend stapten wij voorwaarts. Op een gegeven moment kwamen wij te spreken over de IJslandse rescue-teams en de kennis van het binnenland van IJslanders in het algemeen. Hij had er geen hoge pet van op en liet zich er best negatief over uit. Goed, de meeste IJslanders zullen de grenzen van Reykjavik inderdaad niet overschrijden anders dan naar Keflavík te gaan om het vliegtuig te pakken. Zijn opmerkingen over de rescue-teams lijken mij niet geheel terecht, al wist hij wel hoe ze functioneren en hij ook de nodige leden daarvan had ontmoet. Ik ken er slechts een en met haar zou ik vol vertrouwen de Vatnajökull oversteken.
    Zijn opmerkingen kwamen in een nog vreemder licht te staan toen hij vertelde dat hij in dichte mist de Eyjafjallajökull had willen beklimmen (de vulkaan eronder was immers uitgebarsten en weer tot bedaren gekomen), terwijl hem dat door leden van een rescue-team sterk was ontraden omdat ze hem mocht er wat gebeuren in dat weer niet konden komen redden. Daarna vertelde hij dat hij dat hij tijdens het wildwaterkanoën hier op IJsland bijna was verdronken. Letterlijk uit de boot gevallen. Een enthousiaste waaghals dus.
    Ik constateerde alleen dat hij geluk had gehad met het oversteken van de sneeuw en dat zijn kaartlezen niet deugde. De twee kilometer tot het doel bleken er minstens vier. Dat mocht echter de pret niet drukken. Juist op het moment dat we aankwamen brak de zon door. Het uitzicht was fenomenaal. Het stroompje heerlijk van temperatuur. Dit hadden we niet willen missen. Had de ontmoeting met deze vreemde vogel toch zijn nut gehad, maar hij was zeker niet iemand om de Vatnajökull mee over te steken.
    Omdat hij met de rangers wel een tijdstip had afgesproken ging hij ons snel vooruit. De terugtocht leek lang zo ver niet. We waren kapot toen we de tent bereikten. Moe maar voldaan en vol nieuwe indrukken. Een plek om terug te komen.


Volgens de rangers was de stand van de rivieren opmerkelijk laag. En dat was goed nieuws. Nauwelijks de camping af wachtte de eerste van de twee gletsjerrivieren op de Sprengisandur. Na wat puzzelen over de droogste route waren we aan de overkant. Als alle rivieren zo zijn... De tweede, zo'n vijf kilometer verderop (Hagakvíslar / Tómasarhagi), was nog eenvoudiger te doorsteken. Dit is tevens de plek waar de jongens van de mannen gescheiden worden (of de mannen van de gekken). Rechtdoor vervolgt de Sprengisandur zijn weg, rechtsaf wacht de F910, de kortste route naar Askja. Hier was het ons om te doen. Met enige spanning sloegen wij rechtsaf. Hier ergens moest die lastige gletsjerrivier liggen. Dat 'ergens' bleek tien kilometer verderop te zijn. En wij hadden geluk, ook deze rivier was nu eenvoudig te doorsteken. En Bonny kreeg kennelijk de smaak te pakken, alsof ze voor haar plezier door de rivier liep te banjeren. Een fiets hadden we aan de overkant toen een grote expeditie truck aan kwam rijden. “Of we hulp nodig hadden.” Die hadden we niet maar we waren te beleefd om te weigeren en gemak dient de mens. De achtergebleven bagage, mijn aanhangertje en Bonny vonden een plek in en op het monster en ik stak met Bonny's fiets nogmaals de rivier door. Het punt in de route dat ons voor grote problemen had kunnen stellen waren we voorbij. Nu zouden ons een paar dagen gepast afzien wachten en dan was een doel bereikt... Overigens is wel duidelijk dat je deze rivier niet doorkomt als je al problemen hebt met die van Nýidalur en de Hagakvíslar.
    De Gjallandi waterval was prachtig; het badje Hítulaug heerlijk warm en eenzaam. En hier bij de tent met uitzicht op Dyngjujökull was het genieten. We hebben slechtere dagen gekend. In mijn hoofd spookte echter de ontmoeting met die Litouwer eerder op de dag die ons op de fiets tegemoet kwam (Een fietser? Hier?). “Eindelijk weer een goede weg,” was het eerste dat hij zei. Inderdaad fietsen was hier nog probleemloos. En aan zijn uitgewoonde gezicht te zien was de achterliggende gedachte dat hij slechte wegen had gehad ook gerechtvaardigd. Wij hadden meer dan genoeg tijd, eten en water. Het hoefde voor ons daarom niet op uitputting uit te draaien. Maar zou het leuk blijven? De Litouwer vertelde dat hij veel riviertjes had moeten doorsteken. Dat had ik niet kunnen aflezen uit de kaarten die ik van het gebied had. Het zou beteken dat er meer drinkwater voorhanden was dan ik had ingeschat en dat was alleen maar voordelig. Ik besloot er niet op voorhand van uit te gaan dat het begrip 'veel riviertjes' van de Litouwer hetzelfde inhield als wat ik eronder versta en Bonny en ik zorgden er daarom volgens plan voor bij elke gelegenheid alle waterflessen helemaal te vullen.
    Een tweede opmerking in zijn verhaal was veel verontrustender. Hij vertelde dat hij 25 – vijfentwintig kilometer! – zijn fiets door het zand had moeten duwen. Dit wilde ik niet geloven. Zolang ik kan blijven fietsen is geen wegdek me te gek. Lopen met de fiets aan de hand heeft iets zieligs en is bovendien veel te zwaar. En immers, de ranger bij Nýidalur had me op mijn directe vraag hieromtrent geantwoord dat de hele route fietsbaar was. Had hij niet 'per ongeluk' de Gæsavatnaleið gefietst? Wat was de kans op zo'n vergissing? Bovendien zag hij er niet naar uit zo'n fout te maken. Hoe dan ook, het was verstandig me psychisch voor te bereiden op een mogelijk heftig einde.
    Aan het eind van de tweede dag diende het eerste vervelende zand zich aan. Soms over honderden meters moest de fiets geduwd worden door erg los zand. Met moeite kreeg ik mijn fiets daar doorheen, maar het was nog te doen. En als het erger zou worden? En zou dit al het gedeelte zijn dat de Litouwer had bedoeld? Toen het begon te regen was het met het moreel direct gedaan. De tent opzetten was de enige optie. Hoe ver weg van de bewoonde wereld kun je zijn? Voor ik in slaap viel hoorde ik nog een auto passeren. Het was in elk geval niet het einde van de beschaving.
    De drie volgende dagen waren zwaar en aan het eind zelfs loodzwaar. Ik denk dat we lava in al zijn gestolde verschijningsvormen gezien en bereden hebben. Voor interessante lavaformaties hoef je gelukkig niet naar Dimmuborgir... Als we vijf auto's per dag hebben gezien is het veel.
    Het zand was zeker geen fantasie geweest van de Litouwer. Bij de splitsing Askja – Dyngjufjallaleið – Gæsavatnaleið begon de ellende echt goed. Diep los zand maakte fietsen onmogelijk. Het enige geluk dat wij hadden was dat we berg af gingen. Kom je vanaf Askja dan moet je ook nog eens in gevecht met de zwaartekracht. Een tweede voordeel dat we hadden was dat we de 25km konden splitsen (dat doe je niet snel als je vanuit Askja vertrekt). Na dertien kilometer zwoegen vonden we het welletjes en zetten de tent op in een buitengewoon onaards landschap. Een briesje al liet het zand stuiven en mijn tent die ooit groen was kleurde langzaam zwart. Met het uitzicht was ook deze dag niets mis.
    Nog twaalf kilometer zeer zwaar werk naast de fiets restte ons, niet echt een prettige gedachte om mee in slaap te vallen. Er leek ook geen eind aan te komen. De weg zelf was niet echt een optie, het zand naast de piste bleek vaster. Voor ons doemde de gestalte van de Herðubreið op. Het baken in de woestijn dat ons de komende tijd niet meer kon ontgaan. Zouden we soms helemaal tot aan de camping moeten wandelen? De Litouwer had echter gelijk, krek na 25km was de ergste ellende voorbij. De laatste paar kilometer konden we weer fietsen. Over een zeer slechte weg dat nog wel. Mooi dat we het geflikt hadden.



Askja
Bij de Askja was het koud. De lage temperaturen hadden ons de afgelopen dagen goed geholpen met de stand van de rivieren, daar zul je me dan ook niet over horen. Het kostte nu wel wat meer moeite om de warme slaapzak uit te komen. Daarbij raakte het flink bewolkt. Niet de omstandigheden om eens een lekker stuk in de bergen te gaan wandelen. We hadden de tijd en we namen de tijd. Ook het Askja-pretpakket was gearriveerd dus het ontbrak ons aan niets. Het thuisfront gaf de laatste weersverwachtingen door en daarop trokken wij ons plan. Na morgen wordt het beter. Dan breekt tegen de middag de zon door.
    Ondertussen vermaakten wij ons met de observatie van medereizigers en een tochtje naar de kloof bewonende waterval. Een paar jongeren die het duidelijk niet naar de zin hadden probeerden in de luwte van een gebouw een benzinebrander aan de gang te krijgen. Op een gegeven moment vlamde het vuur meters hoog op. Spektakel. Uiteindelijk kwam het toch nog goed.
    Het volgende is volgens mij een klassieker. Het is ons in elk geval ook overkomen. Je hebt honger dat het barst en komt er tijdens het koken achter dat de rijst die je hebt gekocht zeker twintig minuten moet opstaan. Daar werden die mensen die weliswaar dik waren ingepakt en uit de wind bezig waren ook zichtbaar niet vrolijk van. Zeker weten dat ook zij volgende keer in de supermarkt beter op het pak kijken.


De dag om Víti te bezoeken was aangebroken. Omdat de bewolking nog steeds laag hing, overeenkomstig de voorspellingen, wandelden we heen via de weg. Tegen de tijd dat we aankwamen bij de parkeerplaats bij Víti brak de zon door en die liet ons voorlopig niet meer in de steek. Bonny ging liggen zonnen en ik bracht wat tijd door met fotograferen. We wachtten op het moment dat de zon al flink aan het zakken was. Daarom poedelde ik nog wat in het lauwe water van de Hel rond. Het was niet echt wat.
    De kleuren begonnen intenser te worden en het was bijna windstil. We begonnen aan de tocht bovenlangs door de bergen naar de camping. Veel mooier kan het niet worden. De kleurrijke bergen spiegelden in het gladde water van het Öskjuvatn. En aan de andere zijde van de top baadde de Herðubreið in het warme licht. Ik denk dat Askja ons al veel van haar schoonheid heeft laten zien. Ik zou het nog weleens willen zien onder extreme weersomstandigheden, een naderend stormfront of zo.


Het schema liet niet meer toe dat we naar Kverkfjöll zouden fietsen. Daarbij heb ik er zo'n vermoeden van dat de weg ernaartoe over flinke stukken uit los zand zal bestaan. Daar hadden we absoluut geen trek meer in.
    Ons volgende doel was daarom Ásbyrgi. De weg die wij volgden staat bij mij nu bekend als de: “The Long and Boring road”. Ik denk dat velen het niet met me eens zullen zijn maar het hele stuk van Askja tot aan Ásbyrgi vormt een van de saaiste stukken IJsland die ik ken. Echt wonderbaarlijk is dat natuurlijk ook niet na al het 'geweld' op de F910. En er is daar ook iets raars aan de hand. Als je de fiets neer zet om te pauzeren en een hapje te eten is het bijkans windstil, maar het begint weer te waaien zodra je een vinger naar de fiets uitsteekt om te vertrekken. Bovendien raak je die Herðubreið maar niet kwijt en de oostelijke weg naar Ásbyrgi die is zo slecht...
    De Dettifoss maakte nog wat goed. Arriveer echter niet voor zeven uur 's avonds, tenzij je deze overweldigende ervaring met de groep wil delen. Ongelooflijk wat een drukte. Na zevenen heb je de waterval voor jezelf. volgende pagina

het plan / geplande route / voorbereiding / aankomst / glymur / op weg naar askja / askja / jökulsárhlaup / goðafoss / terreinauto / jimny / dynkur / baula / snæfellsnes / informatievoorziening / tot slot

pagina 1 van 6
ga naar: 1, 2, 3, 4, 5, 6.